Bib login
Menu

Tussen ‘nou’ en ‘amai’ ligt een cultuurverschil: onze Nederlandse stagiair spendeerde een jaar tussen twee talen

Tijdens haar stageperiode bij De Morgen ontdekte de Nederlandse Nina Dijkstra een hele nieuwe wereld aan vocabulaire en tongval. Dat zette haar aan het denken: waar komen die taalverschillen tussen noord en zuid vandaan? En wat verraden de woorden die we kiezen, of juist inslikken, over onze culturen?
Door Nina Dijkstra voor De Morgen

Een zaterdagavond op café in Vlaanderen en Brussel verschilt verrassend weinig van drankjes doen in mijn thuisstad Utrecht. Gesprekken vloeien, bier evenzeer. Het muziekvolume gaat stilaan omhoog, en daarmee neemt ook het gelach toe. Gelijkenissen als twee druppels water, of drank. Tot iemand iets bestelt.

Waar hier de pintjes over de toog vliegen, domineren de biba’s (bitterballen) en de esma’s (espresso-martini’s) de bar in Utrecht. Die verschillen in woordgebruik leiden geheid tot een gesprek dat wordt gekenmerkt door wederzijdse verbazing. Want hoewel beide steden garant staan voor een even leuke avond, zijn de taalverschillen tussen Nederland en Vlaanderen er vast en zeker. Of is het zeker en vast?

Een caféavond als deze loopt dan ook geregeld langs dezelfde clichés.
“Is het bank of zetel?” Bank.
“En staat deze in de living of de woonkamer?” Woonkamer.
“Is het lopen of stappen?” Lopen.
“Maar wat zeg je dan voor lopen?” Hardlopen.
“Amai, da’s toch raar.”
En zo begint het altijd. Binnen vijf minuten heeft iedereen een mening over elkaars moerstaal.

Je zou het op die momenten niet zeggen, maar toch behoren we allemaal tot de Lage Landen: voor de een met zachte g, voor de ander met een knauwende l. Ik behoor als Nederlandse tot die laatste groep. Zelden ben ik me zo bewust geweest van mijn diftongeringsgeknauw als sinds ik een kleine twaalf maanden geleden Utrecht heb ingeruild voor Brussel. Al is het maar wanneer ik, geheel in stijl, reageer op de bijna dagelijkse confrontatie met mijn verontwaardigde “naauw”.

De clichés over de uitspraak en woordkeuze in zowel Nederland als Vlaanderen klinken menig Nederlandstalige vast bekend in de oren. Den Ollander knauwt (bovenal luid) met een hete aardappel, of patat, in de keel, terwijl duh Flèming met zijn rollende tongpunt-r toch maar een schattig “taaltje” spreekt. Nederlanders viben daarbij te veel op het Engels, terwijl les Flamands een je-ne-sais-quoi uitstralen met Franse leenwoorden.

Ça va?

Het zijn die Franse invloeden die voor mij letterlijk ongrijpbaar zijn en me daarmee evenzeer intrigeren. Specifiek de twee kleine woordjes: ça va. Twee woorden, vier letters, zoveel betekenissen. Een ogenschijnlijk simpel antwoord op de vraag “oegattut?” zet bij mij een arsenaal aan microanalyses in gang: wat is de intonatie en de stand van de ogen, wenkbrauwen en mondhoeken? Hoor ik een kleine trilling in de stem? De zon schijnt, het is niet té heet: dus ik neem maar aan dat het goed gaat.

Wanneer ik deze interne twijfels voorleg aan Talitha Dehaene (34), lacht ze instemmend. Hoewel zij zich momenteel opnieuw, naar eigen verbazing, in haar bakermat West-Vlaanderen bevindt, noemde ze Amsterdam tien jaar lang haar thuisstad. “Ik heb daar al heel snel geleerd dat het oké is open en eerlijk te zijn, ook over hoe je je voelt. West-Vlamingen zijn bij uitstek heel erg gesloten en praten niet over emoties. Om die plots wel te delen, voelde voor mij als een verademing.”

Die Nederlandse directheid is misschien een cliché, maar dat is niet voor niets, merkte Dehaene al snel op. “En je weet in ieder geval waar je aan toe bent”, zucht ze opgelucht. “Ik werkte in de creatieve sector waarin ik constant werd beoordeeld op mijn werk. Die beoordelingen waren heel rechtuit: ‘Dit is niet je beste werk, hè?’ Behoorlijk hard, maar die directheid werkt in twee richtingen: ‘Dit vind ik wél fucking goed!’”

Als ik deze observatie voorleg aan Vlaamse taalkundige Miet Ooms, vertelt ze mij dat deze talige en culturele verschillen zijn te herleiden naar twee belangrijke momenten in de geschiedenis. “Allereerst leidde de val van Antwerpen in 1585 tot de eerste scheiding tussen noord en zuid: het huidige Vlaanderen kwam daarbij onder Spaans en katholiek gezag, terwijl het noorden als aparte republiek overwegend protestants was.”

Vanaf dan gingen beide gebieden elk hun kant op, vertelt Ooms. Politiek, maar ook taalkundig. “Vanuit de principes van het protestantisme werd de Bijbel vertaald naar een algemeen begrijpelijk Nederlands.” De standaardtaal zoals wij die nu in Nederland kennen, vindt daardoor haar wortels bij de taalelite van het 17de-eeuwse Amsterdam.
Hoewel Nederland en België begin 19de eeuw even één land waren, zijn de overwegend Franse invloeden in het huidige Vlaanderen te herleiden naar het tweede cruciale moment. “Na de Belgische opstand in 1830 werd in Nederland de ontwikkeling en verspreiding van het Standaardnederlands voortgezet”, zegt Ooms. “In België wilde men daarentegen maar één officiële taal erkennen: het Frans.”

Charme

In mijn tongval zit dan wel geen rollende r, maar ik herken me wel in het achterste van mijn tong laten zien. Zowel wanneer het aankomt op het ‘archetype-schelden-met-ziektes’ als wanneer iets ‘hartstikke lekker’ is. Hierdoor voelt het soms alsof ik een bepaalde nuance in het leven platwals. Noem het gerust een kleine jaloezie wanneer mannen lijken te smelten bij het horen van de zachte g. Het is dat ik geen lief heb da’k graag zie, anders had ik dat zinnetje schaamteloos geïmporteerd en van de daken geroepen. Of nee, charmant gefluisterd natuurlijk. Inclusief zachte g.

“We kunnen dingen ook best wel plat brengen”, beaamt Maaike Knoester (50), die ons stadsie Uut (Utrecht, of nog korter: U) vijf jaar geleden voor de liefde inruilde voor de Vlaamse Ardennen. Vooral de Vlaamse gereserveerdheid viel haar geregeld op.

In haar podcast over emigreren van Nederland naar België wilde ze de verschillen positief benaderen. “Dit deed mij onder andere beseffen dat het ook charmant kan zijn om sommige dingen een beetje te verbloemen, vooral als het over seks gaat.”

“Ik maak graag schuine grappen, maar dat heb ik nu wel afgeleerd”, vertelt Knoester met een knipoog. “In De slimste mens ter wereld mag het allemaal, maar hier moet je als Nederlandse vrouw niet zo plat over seks praten. Je wordt dan direct de zuipende Hollander die graag naar Ibiza gaat. In het begin vond ik dat lastig, maar nu zie ik ook wel in dat het charmant kan zijn om niet alles uit te spreken.”

Misschien verklaart dat ook waarom ik me hier na een jaar nog altijd geregeld betrap op het gevoel dat ik de taal wel spreek, maar toch ook niet. Het verschil zit zelden in de woorden alleen. Het zit in de uitspraak, in de klemtoon, in wat je zegt én in wat je liever niet zegt. “Geobserveerde verschillen tussen Nederland en Vlaanderen blijven vaak hangen bij de woordenschat”, vertelt hoogleraar taalkunde Freek Van de Velde (KU Leuven). “Maar als je kijkt naar het chassis van de taal — de uitspraak en de grammatica — dan zie je daar evengoed verschillen.”

‘Voor veel Nederlanders klinkt de taal in Vlaanderen ouderwets, terwijl men in Vlaanderen de indruk heeft dat Nederlanders hun taal genadeloos verminken’

Freek Van de Velde, Taalkundige

Efficiënte verloedering

“Voor veel Nederlanders klinkt de taal in Vlaanderen ouderwets, terwijl men in Vlaanderen de indruk heeft dat Nederlanders hun taal genadeloos verminken”, vertelt Van de Velde.

“Doordat de maatschappij in Nederland al sinds de toegenomen arbeidsmigratie in de vroegmoderne tijd meer invloeden van buitenaf ondergaat, heeft de taal meer vrijheid gehad om te veranderen. Ook nu nog blijven de mensen in Vlaanderen sterker lokaal gebonden: hoe minder invloeden van buitenaf, hoe conservatiever de taal wordt.” En waar taal sneller verandert, lijken lettergrepen eerder verloren te gaan.

Want zodra ik het concept van de vrijmibo tijdens de gesalu bij mijn taalliefhebbende Vlaamse collega’s voorleg, volgt er meestal eerst een stilte. Vervolgens een vragende blik met een vleugje ongerustheid. En uiteindelijk de vraag of ik ook nog van plan was het woord in zijn geheel uit te spreken. Vooruit dan: de vrijdagmiddagborrel en gezellig samen lunchen.
Hoewel zulke afkortingen veelal worden geassocieerd met de Nederlandse studentencultuur, legt taaladviseur Rutger Kiezebrink van Onze Taal uit dat deze afko’s al in de jaren 80 in de yuppen- en jongerencultuur opkwamen. “Dit werd ‘turbotaal’ genoemd: favoriet werd ‘favo’ en asociaal werd ‘aso’,” vertelt hij. “Waarschijnlijk uit gemak en efficiëntie, maar ook omdat het net wat hipper kan klinken.”

Die efficiëntie beaamt Nederlandse contentmaker en auteur van het Afkowobo (afkortingenwoordenboek) Lot Mulder. “Sommigen noemen het luiheid, anderen taalverloedering. Maar laten we het vooral allemaal niet zo serieus nemen: het is grappig en het is efficiënt, dus boeien als ik dan een afkorting gebruik.”

Noem het Nederlandse nuchterheid. Of misschien gewoon een taal waarin zelfs de klinkers overuren weigeren. Want als ik Mulder vraag welke afkorting Vlaanderen volgens haar dringend moet overnemen, hoeft ze niet lang na te denken. “Kladiladi.” Klap die laptop dicht, het is vrijdag 16 uur. Ooit bedacht als grap, “maar die is als een lopend vuurtje rondgaan”. Ik moet lachen. Niet om de afkorting zelf, wel omdat het idee erachter in Vlaanderen bijna radicaler klinkt dan de afkorting.

Joa, maar toch ook neen

Hoewel de Franse finesse een scherp contrast vormt met de afgekapte zelfstandige naamwoorden, zitten de talige verschillen soms ook in kleine onverwachte hoeken. Want spreek ik u, de lezer, of anderen aan met ‘u’ of ‘je’? Het ene voelt zo afstandelijk, het andere, wanneer ik mij in Vlaamse contreien bevind, haast bot.

“In België heb je nog de tussenvorm ‘gij’, die vaak bij ‘u’ hoort”, vertelt Kiezebrink. “Maar bij ‘je’ wordt soms ook ‘u’ gebruikt. Het is af en toe best...” “...ingewikkeld”, vul ik zuchtend in. Helemaal omdat ik niet ben opgegroeid met “hooggeachte professor”, maar lesgevers aansprak met de voornaam. Ik wil op niemands tenen trappen, maar moet het allemaal zo formeel?

Dit is ook wat Dehaene opviel tijdens haar studententijd in Amsterdam. “Het Nederlandse systeem is erop gericht kritisch na te denken en een eigen mening te vormen. In Vlaanderen is het veel meer gewoonte te luisteren naar wat de prof zegt en dat te reproduceren.”

Voormalig docent en onderzoeker in onder meer sociale stijging en socialisatie Mick Matthys observeerde dit verschil vanaf de andere kant toen hij veertig jaar geleden Antwerpen verruilde voor de Universiteit Utrecht. “Nederlanders discussiëren om tot een mening te komen. Vlamingen hebben die mening meestal al.”

Zijn boek, waarvoor hij dertig Vlamingen in Nederland en dertig Nederlanders in Vlaanderen heeft ondervraagd, kreeg niet voor niets de titel Waarom Belgen gelijk hebben en Nederlanders gelijk krijgen. Het viel hem op dat veel clichématige verschillen helemaal niet evident zijn. “Voorgaand onderzoek uit de jaren 90 wees erop uit dat Vlamingen doorgaans meer gezagsgetrouw zijn. In eerste instantie lijkt dit zo, maar als het erop aankomt trekken ze gewoon hun eigen plan.” Joa zeggen, neen doen.

Havercappu

En de verwarring gaat verder. “Vega? Waren die bitterballen waar jij over schrijft écht vegan of veggie?” “Sjeu, dat ken ik niet. In Vlaanderen zeggen we schwung.” “Goesting en zetel? Je begint wel Vlaams te schrijven, hè?” Het is een alledaags dilemma: talig integreren of trouw blijven aan mijn herkomst.

Hoe ervaart mijn Nederlandse collega, die ook ooit als stagiair bij “De Belgische Morgen” begon, dit? “In het begin was ik me er hyperbewust van dat iedereen meteen aan mij kon horen dat ik uit Nederland kwam”, vertelt Marijn Slijper. “Maar ondertussen ben ik zo geconditioneerd dat ik typisch Nederlandse woorden, zoals ‘nou’ en ‘hartstikke’, in een tekst vermijd.” Het biedt daarbij ook meer mogelijkheden, vertelt hij me. “Je kunt zinnen soms nét wat anders opbouwen of woordjes gebruiken die ik best prettig vind, zoals ‘het is niet evident dat...’”

Het is bovendien niet evident – bedankt, Marijn, voor de tip – dat taal onveranderlijk blijft. “Vlamingen zijn unverfroren hun eigen woorden gaan gebruiken”, vertelt taalkundige Van de Velde. “Juist omdat er in Nederland ook voortdurend aan de taal wordt gemorreld.”

Misschien hoef je uiteindelijk helemaal niet te kiezen tussen het ene of het andere. Dan bestel je een havercappu, zeg je “amai” als hij omvalt en sluit je de week af met een vrijmibo. In twee landen tegelijk thuis zijn klinkt eigenlijk best schoon. Of mooi. Dat dus.

Creatief Schrijven organiseert op vrijdag 2 oktober opnieuw het grootste en creatiefste dictee in 70 bibliotheken in Vlaanderen. Op zaterdag 17 oktober strijden de winnaars van De Schrijfwijzen in de bibliotheken vervolgens om de eretitel van Schrijfwijze van Vlaanderen.